Jaap Doeser – biografie van een fotograaf

Jaap Doeser (1907-1995)

Jaap Doeser fotografeerde van 1925 tot 1972 stadsgezichten, architectuur, molens, kastelen en het alledaagse leven in Nederland. Zijn glasnegatievenarchief werd overgenomen door Bart Hofmeester en maakt nu deel uit van het historisch archief van Roel Dijkstra Fotografie.

Fotograaf Jaap Doeser was getrouwd met Josephine Doeser-Keijzer. Op de vraag of zij een biografie van hem zou kunnen maken, schreef zij het volgende.

Wat de biografie van mijn man betreft wil ik het proberen, maar dat is moeilijk voor me. Ik heb zoveel goede herinneringen die dan weer boven komen, dus is het moeilijk om het zakelijk te houden. Ik wil toch eerst wel even zeggen dat ik erg blij en trots ben dat Jaap nu zoveel aandacht voor zijn werk krijgt. (Dit naar aanleiding van het bericht dat een foto van Jaap bij Sotheby’s geveild was en dat hij in bijna alle foto-databanken te vinden is.) Hij zou er zelf om glimlachen. Jaap heeft nooit veel publiciteit gewild. Men sprak altijd over Cas Oorthuys, Carel Blazer en Paultje Huf, dat waren de „Artiesten”. Voor dat woord was hij allergisch. Een bakker bakt zijn brood en ik maak foto’s, zei hij altijd.

Zij, Cas en Paultje, hadden een soort club (fotografenvereniging GKf) en kregen daardoor opdrachten. Een goede vriend en collega Cok de Graaff was daar erg van onder de indruk. Hij is nog eens een middag met Cas geweest om Jaap over te halen om ook lid te worden. Hij moest dan foto’s insturen, maar dan vooral „artistieke” foto’s. Cas zat met een foto van Jaap in zijn handen – een molen in Friesland – met twee meisjes op de voorgrond, zittend op melkbussen. Cas zei: „Kijk, als de kinderen nu rechts hadden gezeten in plaats van links dan zou dat veel meer beantwoorden aan de normen die we gesteld hebben.” Maar Jaap zei: „Als die meiden rechts hadden gezeten had ik de foto niet verkocht en nu heeft ie me al aardig wat opgebracht” en zo ging het lidmaatschap niet door. Jaap was een realist en zei: „Ik fotografeer om te verdienen en niet om mijn kast te vullen”. Als hij soms heel tevreden was over iets wat hij gemaakt had dan zei hij: „Kijk, de jongen kan het nog wel!”

Een wonderlijke jeugd

Maar nu de biografie. Jacobus François Willem Marie Doeser werd op 8 juli 1907 geboren in Blaricum, zoon van Jacobus Doeser en Elisabeth Carlebur. Zijn jeugd was heel wonderlijk. Hoe kon het ook anders met zo’n vader en een moeder die alles goed vond van haar twee mannen. Zijn moeder was al ongeveer 40 jaar toen ze Jaap kreeg. Ze was de jongste dochter van vier meisjes Carlebur. Drie ervan keurig getrouwd, o.a. met een notaris uit Goes en de ander met een rijke aannemer uit Den Haag, maar alle drie kinderloos. Jaapje kwam als een engeltje uit de hemel deze familie binnenvliegen en niets was te mooi. Vader was kunstschilder en het zal heel moeilijk geweest zijn om in die tijd als kunstschilder de kost te verdienen. Ikzelf ben opgegroeid in Laren-Blaricum en heb daar genoeg resultaten van gezien. Kunstschilders bleven nooit langer dan een paar maanden op hetzelfde adres. Het gezin Doeser woonde wel in zo’n 20 huizen en dan waren er nog Zandvoort, St. Maartensdijk, Utrecht, Limburg, Arnhem, enz. Maar steeds keerden zij toch weer terug naar Laren. Later heb ik begrepen dat huurschuld en andere onbetaalde zaken daar de oorzaak van waren.

Jaap jr. ging op allerlei scholen, van humanitaire tot zeer christelijke, en had daardoor weinig vaste vriendjes. Voor een kind is dat helemaal niet zo leuk. Ik zei wel eens: „Dat er nog wat van je terecht gekomen is, het is een wonder”. Na de oorlog van 14/18 trok het gezin o.a. naar Leipzig. Waarom juist naar Leipzig zou ik niet kunnen zeggen. Voor Jaap jr. was dat heel gewoon. Hetzelfde als Utrecht en Zandvoort en de talloze andere plaatsen waar senior naartoe verhuisde. Wat betreft Duitsland denk ik dat het zo was: er was toen in Duitsland een vreselijke inflatie en men kocht los en vast „kunst” om nog enige waarde van het geld te kunnen behouden. Vader Doeser organiseerde daar tentoonstellingen en verkocht goed. Een Hollandse schilder, dat wilde schijnbaar wel. Jaap jr. verveelde zich daar echter geen moment, want zijn vader kocht dagabonnementen op de tram voor hem. Hij reed de hele dag voor een paar centen door de stad.

Maar de „Tantes” begonnen te schrijven dat Jaapje toch iets leren moest, wilde er nog iets van hem terecht komen. Dus stapte vader Doeser op een dag met hem naar een relatie, de heer Edgar Röhrich, architect, en die wilde hem wel in dienst nemen. Daar sprak hij vaak over en Jaap jr. vond het leuk. Hij heeft er misschien wel iets aan overgehouden. Ik vond zijn foto’s van gebouwen altijd het beste. Architecten werkten graag met hem. Rietveld, Dudok, Falkenburg waren altijd zeer tevreden.

Voor vader Doeser was het na een tijdje weer genoeg en zij vertrokken naar Frankrijk. Hij kocht een stukje grond in Hyères en heeft er samen met Jaap een huisje gebouwd. Vader Doeser wilde het vlug klaar hebben, dus een beetje scheef en schuin hinderde niet, maar Jaap, toen al perfectionist, wellicht toen al met het oog van een fotograaf, wilde alles kaarsrecht. Vader Doeser bezocht de ambassade in Parijs en kreeg veel werk, ik geloof veel portretten, en voor Jaap was het in Frankrijk een heerlijke tijd. Hij zat ’s middags veel in een achteraf bioscoopje en keek naar avonturenfilms zoals De Drie Musketiers. Na aanhoudende klaagbrieven van de „Tantes”, en Jacobus die al weer genoeg had van Frankrijk, trokken zij naar Soest waar Jaap op de 4-jarige Mulo moest. Dat vond hij vreselijk en hij heeft zo hard gewerkt dat hij na drie jaar met zijn 4-jarige diploma weg kon.

Het vak leren

In die tijd kreeg hij voor een verjaardag een fototoestelletje. Daar maakte hij al snel goede plaatjes mee. Hij ontwikkelde en drukte zelf af in een kast en op deze manier scharrelde hij een zakcentje bij elkaar door familie, vrienden en Soesters op de foto te zetten. Toen vond de heer A.G. van Agtmaal, fotograaf te Baarn, dat Jaap talent had en hij wilde hem het vak wel leren. Deze man deed toen al wat Jaap e.a. later ook deden, namelijk met de camera het land in en op, foto’s maken en dan verkopen voor briefkaarten en kalenders e.d. Het was in die tijd stellig lucratief, want Van Agtmaal reed rond in een auto met chauffeur en woonde in een enorme villa. Hij zette Jaap in de kelder met een donkere kamer, wat hij niet zo leuk vond, maar waar hij wel het vak goed leerde.

Jaap moest vervolgens in militaire dienst, wat hij overigens best leuk vond. Eindelijk onder kameraden van zijn eigen leeftijd. Zelfs het eten dat iedereen slecht vond was best lekker. Hij was tenslotte niet erg veel luxe gewend. Zijn vader was in die tijd nog wel alleen naar Leipzig en Parijs terug geweest, maar toen Jaap uit dienst kwam leefden zijn ouders al gescheiden. Jacobus was volkomen gecharmeerd geraakt van Anna Westrik en haar man hield zoveel van haar dat hij het best vond dat Jacobus zich bij hen thuis installeerde, in een prachtig huis met een parktuin. Hij kreeg alles wat hij maar wilde, zelfs een eigen atelier. Hij heeft altijd zijn ex-vrouw betaald en hij zorgde ervoor dat Jaap een baan als fotograaf kreeg bij Polygoon. Dat was toen het fotopersbureau waar alle kranten hun foto’s vandaan kregen.

De eerste dag kreeg hij een camera in zijn handen gedrukt en moest hij het te water laten van een schip fotograferen. Hij had het wel benauwd, vertelde hij, maar de volgende dag stond zijn foto op de voorpagina van de Telegraaf. Hij moest er erg hard werken en altijd klaarstaan. Na een zondagmiddag in de kou, regen of mist om een voetbalveld te hebben gewerkt, lag er op zijn bureau al weer een papiertje voor de avond om een biljartwedstrijd te verslaan, tot soms 2 uur in de nacht. Toch zei hij altijd: „Om fotograaf te worden moet je dit een aantal jaren gedaan hebben”. Ze waren daar best tevreden over hem en hij heeft er zelfs medailles gewonnen.

Doeser Foto’s

In die tijd leerde hij Antonia Fortuin kennen en was het al snel „trouwen”. Tonny was naaldwerkster, zij borduurde werkelijk heel mooi en dat was haar leven. Maar door de beslommeringen van het huishouden en kinderen (ze kregen er drie, maar alleen de oudste, Jaap Siegfried Iwan, bleef in leven) had ze daar niet veel tijd meer voor. Jaap kon toen bij de Rotogravure in Leiden komen werken. Die drukte bladen zoals Panorama, Illustratie en de Libelle. Dat was veel mooier werk. Fotograferen in het hele land en een goed salaris. Hij moest daar wel elke week een kostennota indienen met een specificatie van dag en uur waar hij was geweest en dat vond hij vreselijk. Hij voelde dat als een soort wantrouwen. Bovendien werkte hij erg snel en daar werden de andere collega’s weer boos om. Hij weigerde hieraan mee te werken: „Als jullie mij niet vertrouwen dan ga ik wel weg”. Nou, dat moest dan maar gebeuren.

Hij kocht voor 42 gulden een tweedehands camera, zo’n echte van hout, een houten statief en timmerde zelf een vergrotingsapparaat. Doeser Foto’s was geboren. Een archief maken, reizen en overige kostte geld en tijd, dus onregelmatige inkomsten. Bovendien werd hij in 1939 gemobiliseerd voor de oorlogsdreiging. In 1940 heeft hij 6 dagen meegevochten, waarna de inkwartiering onder Duits toezicht een feit was.

Oorlog en verraad

Het huwelijk met Tonny hield op te bestaan in de oorlogsjaren. Buiten fotograferen was verboden, dus nam hij zijn kleinbeeldcamera weer op en trok „de boer op”, zoals hij zelf zei. Families, boerderijen, feesten etc., daar verdiende hij de kost mee. ’t Was een hard bestaan. Alles op de fiets. Naast fotograferen zeulde hij ook voedsel mee, hield wat over voor zichzelf en zijn zoontje, en de rest verkocht hij. Je moest tenslotte overleven. In die tijd nam hij ook een Joodse tandarts in huis en werkte hij illegaal in een verstopt drukkerijtje en drukte er krantjes met de nieuwsberichten uit Engeland die verspreid werden onder goede Nederlanders. Ik bracht die rond in tassen op de fiets en zo maakten we kennis met elkaar. Wij hadden ook „onderduikers” en zo gingen die moeilijke jaren verder, vol angst en zorgen voor voedsel en warmte.

Tien dagen voor de bevrijding in 1945 werd Jaap verraden. Op een morgen zetten de Duitsers de straat af, maar vergisten zich in het huisnummer, waardoor er huiszoeking bij de buren plaatsvond. Toen de SD alsnog het huis binnenstormde werden ze alle twee opgepakt en weggevoerd naar Baarn. Daar zal ik verder niet op ingaan. Eindeloze verhoren en wreedheden en tenslotte werd Jaap „ter dood” veroordeeld. Maar het geallieerde leger trok op, steeds dichterbij, en die Duitsers, vooral de SD, werden bang en wilden vluchten. Om weg te komen vroegen ze aan Jaap geld. Ze gingen naar Laren, waar Jaap juist voordat hij weggevoerd werd zijn portefeuille op zolder in een rol had laten zakken. Hij gaf zijn geld, 2000 gulden. Behalve zijn geld namen zij ook zijn kleren af en in woede dat ze de oorlog hadden verloren haalden ze alle foto’s, negatieven en ander materiaal op een hoop en staken het in brand.

Een dag later waren we bevrijd. Jaap is direct teruggegaan naar de villa in Baarn waar ze vastgezeten hadden en vond met de politie de tandarts begraven in de tuin, in een oude put, samen met Duitse uniformen. In Laren ging het gerucht dat Jaap Doeser doodgeschoten was en dat maakte, tot mijn grote verwondering, een grote indruk op me. U kunt begrijpen dat ik erg blij was hem voor de deur te zien staan.

Opnieuw beginnen

We vierden samen feest en een week later vroeg hij mij ten huwelijk. Daar moest ik wel even over nadenken. Een 16 jaar oudere man en gescheiden. Dat was niet niks. Het werd „ja” en het huwelijk heeft bijna 30 jaar geduurd. Jaap had na de oorlog niets meer en moest gaan werken. Dat was gelukkig niet zo moeilijk. Hij kreeg veel aanbiedingen en koos voor een combinatie van tijdschriften. Een goede baan met een vast salaris. Er was in die tijd heel weinig papier, waardoor de weekbladen op half formaat verschenen en wel een pagina elke veertien dagen. Ze vroegen dan ook aan Jaap om met werken te beginnen voor de helft van de tijd en voor een half salaris. Dat werd helemaal niks. De realiteit was dat hij voor een half salaris alle dagen van de week, dus incl. de weekenden, moest werken. Bovendien vond hij het geen prettig werk.

Ik besloot toen om het huwelijk één jaar uit te stellen. In dat jaar kon hij zijn archief weer opbouwen. De heer Jozef Nuss, een hele vreemde man, die leefde van de verkoop van ansichtkaarten, had in het begin van de oorlog een vrachtwagen vol karton gekocht. Karton dat voor taartendozen werd gebruikt. Daar wilde de Rotogravure wel kaarten op drukken. Nuss was de enige, dus vlogen de kaarten de deur uit. Ze werden wel een beetje geel als ze in het licht hingen. De heer Nuss had vertegenwoordigers in het hele land voor de verkoop en Jaap maakte de foto’s.

Hij moest wel hard werken. Eerst met al zijn materiaal op de fiets naar Hilversum, per trein naar overal, aangekomen weer een fiets huren en kilometers afleggen en daarna weer terug naar huis. Op regenachtige dagen ontwikkelen en afdrukken. Het liep heel goed. Op 12 juni 1947 trouwden we en toen werd het voor hem wat beter. Ik nam de administratie op me en beantwoordde de telefoon. Na twee jaar was het hoofdstuk Nuss afgelopen, de taartdozen waren op en er kwamen betere kaarten op de markt.

Pemivank en Spanjersberg werden klanten en voor de „Kleurenprenten” kwamen er folders uit over Nederland. Het ANVV in Den Haag vernieuwde zijn archief en er kwamen boeken uit. Schuitemaker maakte in Friesland „Tussen Gaasterland en Klei”. Ter ere van de kroning van Koningin Juliana „Het witte huis in ’t groen”. Over Amsterdam „De Jordaan” en „Rondom de Oude Kerk”. Daar kreeg Jaap van de pers hele mooie kritieken over.

Toen kwam de Korea-oorlog en iedereen verwachtte weer een wereldoorlog. De economie lag stil. Niemand durfde nog iets te ondernemen. Het waren voor ons moeilijke jaren. Jaap werd weer „huisjesman”, zoals hij zichzelf noemde. Langzaam kwam alles weer op gang. De Rijksvoorlichtingsdienst richtte een bureau Foto op en dat werd een grote klant. Ze kochten foto’s, niet alle dure, maar eenmaal in hun archief kwamen de nabestellingen en dat was wel interessant. Soms kreeg hij ook opdrachten, bijvoorbeeld voor de waterwerken in Zeeland. Dan werd hij gehaald met auto en chauffeur. Deze laatste droeg zelfs zijn toestellen. Jaap had daar stiekem de grootste pret om.

’s Winters had hij altijd een groot werk van de textielschool in Tilburg. Er kwamen elk jaar steeds meer nieuwe stoffen uit. Die moesten op ware grootte en enorm uitvergroot opgenomen worden voor de leerboeken. Honderden staaltjes had ik dan in huis. Het ging beter met ons en een occasion Citroën werd aangeschaft, zodat dat gesjouw op de fiets afgelopen was.

Er kwam een gezin naast ons wonen waarvan de man een hele goede accountant was. Hij nam de boekhouding voor de belasting in handen en zei: „Jaap moet zich veel meer manifesteren en de prijzen moeten omhoog. Men moet blij zijn dat hij voor ze wil werken. Hij werkt veel te goed en verdient te weinig.” Natuurlijk riep Jaap dan Doeser-achtig: „Allemaal flauwekul”.

Enfin, zijn al oude Neckar van hout werd gammel en de kleurenfotografie deed zijn intrede. Er moest enorm opnieuw geïnvesteerd worden. Ik vroeg hem terloops: „Welk toestel zou je kopen?” Jaap dacht na en het werd een Linhof. Dus zei ik: „Dan gaan we die NU kopen”. Wij naar Amsterdam en daar kocht hij het nieuwe toestel met alles erop en eraan. We lieten twee koffers maken om de apparatuur in op te bergen, zodat we ze naast ons bed konden zetten. De heer De Wilde van Uitgeverij Rembrandt wilde foto’s van Amsterdam laten maken en het liefst zondags fotograferen, want dan waren de grachten nog vrij van geparkeerde auto’s. Jaap kwam thuis en zei: „Het werkt hoor, De Wilde viel bijna flauw toen hij dat nieuwe toestel zag”. We gingen meteen lunchen op ’t Lido! Wat een krankzinnige wereld.

Schilders, Hofmeester en de caravan

Jaap had ook wel veel schilders als klant, Deutjewaard, de twee broers Schulman en ook Han van Meegeren. Hij heeft die geschiedenis van de valse Vermeer van nabij meegemaakt en gefotografeerd. Tegen alle experts en röntgenonderzoek in kwam hij thuis, na een foto van het doek gemaakt te hebben, en zei: „Het is geen echte Vermeer”. Ik zei natuurlijk dat hij gek was, maar na maanden kreeg hij toch gelijk.

Bij de RVD werkte ook een fotograaf, Bart Hofmeester. Hij maakte veel luchtfoto’s. Jaap sprak altijd heel waarderend over hem. Op een middag werkte Jaap op de Kaasmarkt in Alkmaar. Er kwam iemand op hem af en zei: „U bent Jaap Doeser. Dat zie ik aan uw manier van werken.” Dat was Bart Hofmeester. Ik was toevallig meegegaan om Jaap z’n koffers te dragen, het werk vereiste dat je je snel moest verplaatsen. We gingen meteen samen koffiedrinken en Hofmeester zat Jaap maar aan te staren alsof het een soort God was. Hij zei: „Zulke foto’s maken en zo te werken, dat zou ik ook zo graag willen”. En: „Als je ooit ophoudt dan moet je me waarschuwen, dan wil ik graag je archief overnemen”.

Jaap hield niet erg van vakantie. Af en toe een dagje of een weekendje weg. Maar op een gegeven moment ontdekte Jaap de „caravan”. Dat was het helemaal voor hem en zo werden we caravanners en trokken door Frankrijk. Het was ook goed voor z’n werk. Het werd toen al mogelijk om op de goede tijd en plek te zijn waar hij moest werken en als hij eindelijk daar was sloeg het weer om en regende het. Dus gingen we met de caravan en Jaap was ter plaatse wanneer het nodig was en we bleven droog als het slecht weer was. Eens, op weg naar de Côte d’Azur, was hij moe en zijn we afgeslagen over de Rhône om in de Ardèche een paar dagen uit te rusten. Toen ontdekten we B. en Jaap zei toen: „Hier gaan we later wonen”.

Jaap had als hobby antiek. Door het hele land bezocht hij antiekwinkels en scharrelaars in de tijd dat hij moest wachten tot de zon goed stond om de foto te maken. In de winter, als het wat rustiger was in de fotografie, restaureerde hij de meubels en maakte alles weer zo goed als nieuw. Ik schrok wel eens als hij weer met een aantal planken thuis kwam (inmiddels reden we een Peugeot Break). Als het klaar was zette hij z’n oeuvre beneden (restaureren deed hij op zolder) neer en verkocht het aan bekenden. Dat was z’n vrijetijdsbesteding. Hij zei altijd: „Als ik geen ‘fotist’ was, was ik antiquair geworden”. Hij had er ook wel een neusje voor.

Kleur, pensioen en het archief

De kleurenfotografie deed zijn intrede en toen Jaap kleurendia’s begon te maken kwam natuurlijk het probleem van ontwikkelen; je kunt niet in een zwart-wit doka kleuren ontwikkelen. Kleurenontwikkelapparatuur was een grote investering. Hij werkte op Kodakpapier en Kodak had een laboratorium in Bilthoven. Daar heeft hij met een laborant enige tijd samengewerkt om hem te laten begrijpen hoe Jaap het wilde hebben. Er stonden dan ook flessen met ontwikkelaar met een speciaal Doeser-etiket erop en daar mocht niemand aankomen. Die samenwerking liep perfect. Jaap kon zijn foto’s laten ontwikkelen zoals hij wilde en ze stonden altijd klaar als er haast bij was.

Zelf werkte hij nog altijd zwart-wit met een onverwoestbare vergroter, zo’n rare bak en een spoelbak. Hoe vaak zei ik: „Koop nu eens een behoorlijk toestel”. Hij bestudeerde dan de folders van een Durst, maar dan altijd: „Nou, nog even niet”. De tijd ging verder en het werd langzamerhand tijd om aan een retraite te werken. Jaap was inmiddels 64 jaar. We kochten een stukje grond in G. en via het bureau Foto van de RVD lieten we Hofmeester weten dat Jaap wel liever op wilde houden. Er werd onmiddellijk gebeld voor een afspraak. Hij kwam met zijn vrouw. Ik kende hem haast niet terug.

Hofmeester had in Rotterdam twee ateliers naast elkaar met een hal, helemaal ingericht als fotostudio met allerlei apparaten die aan de plafonds hingen enz. Een enorm ding in bestelling om kleurenvergrotingen te maken, destijds voor 50.000 gulden. Toen ze dat aan Jaap lieten zien zei hij later: „Wat een machinepark”. Ik werd er bang van. Enfin, de koop was snel gesloten, te snel vond mevrouw Mietje, maar dat had hij eigenlijk al jaren eerder op de Kaasmarkt beloofd. Ik zat met de dozen kleurendia’s en foto’s om mij heen. Hofmeester had het hele archief overgenomen.

Enkele weken na de koop belde de directeur van het bureau Foto van de RVD op en zei: „Jaap, het lukt Hofmeester niet om jouw negatieven af te ontwikkelen zoals jij. Heeft Hofmeester jouw ontwikkelapparaat daar zonder afdrukken bij?” En Jaap maar lachen. Met al hun dure machines konden ze nog niet eens een goede afdruk maken. Ondanks dat wij gezegd hadden dat wij geen geavanceerde apparatuur hadden maar een eigengemaakt apparaat, wilde Hofmeester dit toch hebben. Jaap brak het af en bracht het naar beneden. Daar lag het apparaat op de grond. Een plankje met een lens erin en een zwarte lap. Mietje, de vrouw van Hofmeester, was bijna boos en dacht dat we het „echte”, volgens haar, al verkocht hadden, maar Bart was bijna in tranen. Hoe is het mogelijk, riep hij, maar hij wilde het zaakje toch meenemen om het in Rotterdam weer net zo te installeren.

Toen waren het archief en het vergrotingsapparaat het huis uit en was Jaap nu echt met pensioen. Zo vertrokken we in 1972 naar Frankrijk en werd de fotograaf wijnboer.

Jaap Doeser stierf op 9 december 1995.