We vierden samen feest en een week later vroeg hij mij ten huwelijk. Daar moest ik wel even over nadenken. Een 16 jaar oudere man en gescheiden. Dat was niet niks. Het werd „ja” en het huwelijk heeft bijna 30 jaar geduurd. Jaap had na de oorlog niets meer en moest gaan werken. Dat was gelukkig niet zo moeilijk. Hij kreeg veel aanbiedingen en koos voor een combinatie van tijdschriften. Een goede baan met een vast salaris. Er was in die tijd heel weinig papier, waardoor de weekbladen op half formaat verschenen en wel een pagina elke veertien dagen. Ze vroegen dan ook aan Jaap om met werken te beginnen voor de helft van de tijd en voor een half salaris. Dat werd helemaal niks. De realiteit was dat hij voor een half salaris alle dagen van de week, dus incl. de weekenden, moest werken. Bovendien vond hij het geen prettig werk.
Ik besloot toen om het huwelijk één jaar uit te stellen. In dat jaar kon hij zijn archief weer opbouwen. De heer Jozef Nuss, een hele vreemde man, die leefde van de verkoop van ansichtkaarten, had in het begin van de oorlog een vrachtwagen vol karton gekocht. Karton dat voor taartendozen werd gebruikt. Daar wilde de Rotogravure wel kaarten op drukken. Nuss was de enige, dus vlogen de kaarten de deur uit. Ze werden wel een beetje geel als ze in het licht hingen. De heer Nuss had vertegenwoordigers in het hele land voor de verkoop en Jaap maakte de foto’s.
Hij moest wel hard werken. Eerst met al zijn materiaal op de fiets naar Hilversum, per trein naar overal, aangekomen weer een fiets huren en kilometers afleggen en daarna weer terug naar huis. Op regenachtige dagen ontwikkelen en afdrukken. Het liep heel goed. Op 12 juni 1947 trouwden we en toen werd het voor hem wat beter. Ik nam de administratie op me en beantwoordde de telefoon. Na twee jaar was het hoofdstuk Nuss afgelopen, de taartdozen waren op en er kwamen betere kaarten op de markt.
Pemivank en Spanjersberg werden klanten en voor de „Kleurenprenten” kwamen er folders uit over Nederland. Het ANVV in Den Haag vernieuwde zijn archief en er kwamen boeken uit. Schuitemaker maakte in Friesland „Tussen Gaasterland en Klei”. Ter ere van de kroning van Koningin Juliana „Het witte huis in ’t groen”. Over Amsterdam „De Jordaan” en „Rondom de Oude Kerk”. Daar kreeg Jaap van de pers hele mooie kritieken over.
Toen kwam de Korea-oorlog en iedereen verwachtte weer een wereldoorlog. De economie lag stil. Niemand durfde nog iets te ondernemen. Het waren voor ons moeilijke jaren. Jaap werd weer „huisjesman”, zoals hij zichzelf noemde. Langzaam kwam alles weer op gang. De Rijksvoorlichtingsdienst richtte een bureau Foto op en dat werd een grote klant. Ze kochten foto’s, niet alle dure, maar eenmaal in hun archief kwamen de nabestellingen en dat was wel interessant. Soms kreeg hij ook opdrachten, bijvoorbeeld voor de waterwerken in Zeeland. Dan werd hij gehaald met auto en chauffeur. Deze laatste droeg zelfs zijn toestellen. Jaap had daar stiekem de grootste pret om.
’s Winters had hij altijd een groot werk van de textielschool in Tilburg. Er kwamen elk jaar steeds meer nieuwe stoffen uit. Die moesten op ware grootte en enorm uitvergroot opgenomen worden voor de leerboeken. Honderden staaltjes had ik dan in huis. Het ging beter met ons en een occasion Citroën werd aangeschaft, zodat dat gesjouw op de fiets afgelopen was.
Er kwam een gezin naast ons wonen waarvan de man een hele goede accountant was. Hij nam de boekhouding voor de belasting in handen en zei: „Jaap moet zich veel meer manifesteren en de prijzen moeten omhoog. Men moet blij zijn dat hij voor ze wil werken. Hij werkt veel te goed en verdient te weinig.” Natuurlijk riep Jaap dan Doeser-achtig: „Allemaal flauwekul”.
Enfin, zijn al oude Neckar van hout werd gammel en de kleurenfotografie deed zijn intrede. Er moest enorm opnieuw geïnvesteerd worden. Ik vroeg hem terloops: „Welk toestel zou je kopen?” Jaap dacht na en het werd een Linhof. Dus zei ik: „Dan gaan we die NU kopen”. Wij naar Amsterdam en daar kocht hij het nieuwe toestel met alles erop en eraan. We lieten twee koffers maken om de apparatuur in op te bergen, zodat we ze naast ons bed konden zetten. De heer De Wilde van Uitgeverij Rembrandt wilde foto’s van Amsterdam laten maken en het liefst zondags fotograferen, want dan waren de grachten nog vrij van geparkeerde auto’s. Jaap kwam thuis en zei: „Het werkt hoor, De Wilde viel bijna flauw toen hij dat nieuwe toestel zag”. We gingen meteen lunchen op ’t Lido! Wat een krankzinnige wereld.